Kerkdienst

6 september 2026
10:00
Kerkdienst
Kogerkerk, Kerkstraat 14, Koog aan de Zaan
ds Hanna van Dorssen gaat voor

Startzondag samen met Kogerkerkgemeente.

In de Kooger Vermaning is geen dienst.

Ter voorbereiding op de gezamenlijke dienst op 6 september

In beweging
De eerste christenen vormden een gemeenschap van mensen die elkaar kennen, steunen, en brood en bezit delen in naam van Jezus. Zo wordt in het bijbelboek Handelingen het ideaal van de christelijke gemeente beschreven.
Met dit ideaal voor ogen gaat de apostel Paulus op reis. Hij gaat van stad naar stad om deze levenshouding uit te dragen aan wie maar horen wil. In zijn voetspoor ontstaan groepjes van mensen die zich laten raken door het verhaal van Jezus. Ook in de stad Rome.

Op de eerste zondag van september, als we stilstaan bij het begin van een nieuwe periode met activiteiten, lezen we enkele gedeelten uit de brief die Paulus schrijft aan de volgelingen van Jezus in Rome. We laten ons inspireren en bemoedigen door dat wat hij in de eerste eeuw aan hen schrijft.
Zijn woorden van toen zijn nog even actueel en bepalen ons bij onze opdracht als volgelingen van Jezus. Het is alsof Paulus zich via Rome ook tot ons richt.

‘Paulus, volgeling van Jezus messias, gegrepen door het verhaal van zijn leven.’ Zo begint Paulus zijn brief. Dan vervolgt hij: ‘Deze brief is bestemd voor allen in Rome, die gegrepen zijn door het verhaal van Gods liefde.’
Er zijn vele eeuwen verstreken maar door die aanhef kunnen ook wij ons aangesproken voelen: ‘Deze brief is bestemd voor allen in de Kogerkerkgemeente en de Kooger Vermaning, die gegrepen zijn door het verhaal van Gods liefde.’
Paulus vat in zijn brief samen wat voor hem de kern is van het christelijk geloof: ongeveinsde liefde, afkerigheid van het slechte, naastenliefde, wederzijds respect, belangstelling voor elkaar, hartelijk, trouw aan de Heer, verheugd om wat komt, taai in tegenspoed, vasthoudend aan het gebed, waar nodig steun gevend, gastvrij.

Hij breidt dit nog uit met leefregels die niet altijd even gemakkelijk zijn.
Zoals: ‘Heb begrip voor fanatici, vervloek ze niet. ‘Voel je niet verheven boven eenvoud.’ ‘Wees niet eigenwijs.’ ‘Vergeld geen kwaad met kwaad.’ ‘Heb met iedereen het goede voor.’ ‘Houd indien enigszins mogelijk vrede met alle mensen.’ ‘Speel niet voor eigen rechter.’ ‘Als je vijand honger heeft, geef je hem te eten; als hij dorst heeft te drinken.’​
Paulus sluit deze zinnen, die een levenslange uitdaging zijn, af met de woorden: ‘Laat je niet overwinnen door het kwaad, maar overwin het kwade door het goede.’

Het kleine groepje in Rome groeit in de eerste eeuwen. Dat begint op te vallen. Van keizer Julianus (361-363) is een uitspraak opgetekend die gaat over het groeiend aantal christenen. Hij was een uitgesproken antichristelijke keizer.
‘Waarom hebben wij niet in de gaten, dat het hun vriendelijkheid tegenover vreemdelingen is, hun zorg voor de doden en de beweerde heiligheid van hun levenswandel, waardoor dit atheïsme zo toeneemt?’ Dit zijn woorden van de keizer over het aantrekkelijke atheïsme van die eerste christenen. Want christenen erkenden de Romeinse goden niet. Ze waren tegen het theïsme van het Romeinse rijk.

Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinse volgelingen van Jezus dat hij van plan is bij hen op bezoek te komen voor hij doorreist naar Spanje. Maar eerst is er een andere bestemming. Jeruzalem. Van daaruit is het verhaal van Jezus zijn weg door de wereld gegaan. Daar ligt de kern. Daar is het allemaal begonnen. Maar de volgelingen van dat eerste uur hebben het zwaar. Daarom is er een collecte gehouden voor de armen in Jeruzalem. Paulus ziet het als zijn plicht die collecte te gaan brengen.
Het is voor hem topprioriteit. Hij schrijft er over in meerdere van zijn brieven.
‘Waar nodig steun gevend’, één van de kernzinnen in zijn brief aan de gemeente in Rome. Dat brengt hij nu in praktijk samen met enkele van de eerste gemeenten die hebben gecollecteerd. En zo gaat Paulus opnieuw op reis.

Leven is op weg zijn,
bergen beklimmen,
waden door rivieren
bloemen plukken bij maanlicht
dwalen door eenzaamheden en woestijnen,
een kaars branden tegen de storm,
oplopen met anderen of hen dragen,
brood delen en vieren in de nacht.

Leven is pelgrimeren,
een tijdlang werken aan de weg,
een brug bouwen over zwart water,
rovers verjagen en duivels,
waken en bidden met zieken,​
doden begraven bij de kapel.

Nooit raken pelgrims thuis:
‘vreemdelingen’ vestigen niet
wanneer zij eindelijk aankomen,
weten ze wat ze vermoeden:
de weg is het doel.

( Jan de Jongh)